Vruchtbare Akkers

Oorsprong van de tuinbouw in de binnenduinrand

Wie oude kaarten van Kennemerland bekijkt, ziet dat de duinen tussen Castricum en Beverwijk plotseling terugwijken. Alsof er ooit een hap uit werd genomen. Precies op deze plek in de binnenduinrand worden in de zeventiende eeuw de duingronden afgegraven om zand te winnen. Het zand is bestemd voor de stadsuitbreiding van Amsterdam dat in die tijd een gigantische groei doormaakt. Overal in de hoofdstad floreert de handel en nijverheid. Nieuwe scheepswerven, bierbrouwerijen en zeepziederijen bieden werkgelegenheid. De economische voorspoed van Amsterdam gaat hand in hand met het op touw zetten van grootschalige projecten als de inpoldering van de Beemster en dus ook het afgraven van de woeste gronden in de binnenduinrand.

De zandwinning voor stadsuitbreiding is een typisch voorbeeld van een mes dat aan twee kanten snijdt. Want nadat het gewonnen zand is afgevoerd en de woeste duingronden, ook wel de Wildernisse genoemd, zijn omgeploegd en in cultuur gebracht blijkt dat de tuinbouw hier goed gedijt. De grond is namelijk zeer geschikt voor de teelt van peulvruchten, ‘fijne groenten’ en fruit als kersen en aardbeien. Vanaf de zeventiende eeuw groeit de tuinbouw dan ook uitbundig. Met een hoogtepunt rond 1925 wanneer de zogeheten Wijkertuinen, onderverdeeld in de Westertuinen en Oostertuinen, 350 ha in beslag nemen.

JUIST HIER!

Dat je juist in de binnenduinrand vruchtbare akkers treft, is geen toeval. Precies hier, op de relatief smalle overgang tussen de duinen en de lagergelegen polders liggen namelijk de geestgronden die zich van De Zijpe (N-H) tot aan Zeeland uitstrekken. Dit kustlandschap plooit zich in lange smalle stroken van west naar oost. Het meest westelijk liggen de jonge duinen met ‘jong’ duinzand. Daarachter vind je de oude duinen met ‘oud’ duinzand: de strandwallen.

De Beverwijkse binnenduinrand ligt op die strook oud duinzand die is bewerkt tot geestgrond. Geestgronden zijn afgegraven zandgronden die in cultuur zijn gebracht. Daarachter, oostelijker, liggen de polders met zeeklei. Duizenden jaren geleden woonden er al mensen op de hoger gelegen strand-wallen of zandruggen. Plaatsnamen als Uitgeest (ligt er buiten), Hofgeest en Dorregeest verwijzen naar die oorsprong. Beverwijk, maar ook Akersloot, Heemskerk, Castricum, Limmen en Heiloo liggen op zo’n strandwal.

KOPPIG OF VLIJTIG?

De boeren en tuinders in de zeventiende-eeuwse binnenduinrand bewerkten het land. Ze graven het duinzand af, egaliseren tot de betere onderlaag naar boven komt. Ze bemesten veelvuldig hun akkers, spitten de boel om. En ze ‘husselen’ het kalkloze zand met het kalkrijke zand totdat er een goede mix ontstaat. Met het afgegraven zand uit de greppels werpen de tuinders walletjes, en omzomen de akkers met hagen. Wallen en hagen houden de akkers uit de wind waardoor de teelt lekker in de luwte ligt. Ze ontwikkelen een fijnmazig waterlopenstelsel door duinbeken te kanaliseren en duinrellen te graven, waarlangs het overtollige water kan worden afgevoerd. Over kleine overstromingen maken de tuinders zich overigens niet druk. Er blijft een vruchtbaar laagje slib achter. Goed voor de teelt! Verder behoedt het zeeklimaat het land dikwijls voor nachtvorst. Het zijn stuk voor stuk gunstige voorwaarden voor de ontwikkeling van tuinbouw. Maar de tuinders van toen hadden zo hun eigen zorgen.

De heftige zandstormen vanuit de jonge duinen overstuiven tientallen malen hun teelt en maken de tuinbouw bewerkelijk. Het verstuiven wordt tegengegaan door het planten van helmgras op de duinen. Daarnaast moest het hoofd worden geboden aan de vele konijnenplagen. Op oude prenten zie je dat akkers met hekjes en stokken werden omheind ter bescherming van vraatzuchtige konijnen en herten.

WARMOES IS EEN SAMENSTELLING VAN

WARM’ EN ‘MOES’ OF WEL GROENTE DIE WARM WORDT GEGETEN. EEN WARMOEZENIER IS EEN GROENTEKWEKER.

WEG MET KOOL EN KNOLLEN

De tuinders kunnen op de lichte zandgronden perfect uit de voeten met de teelt van ‘fijne groente’. Ze komen hiermee tegemoet aan de vraag van de stedelingen die in de zeventiende eeuw een verfijnde smaak ontwikkelen. In plaats van naar kool en knollen staat hun mond nu naar ‘fijne groenten’. Denk aan wortelen, asperges, sla, andijvie, postelein en fruitsoorten als aardbeien, frambozen en bessen. Vandaar dat je warmoezerijen of warmoeskwekerijen in de Beverwijkse binnenduinrand aantreft, zoals de tuinbouwgronden toen werden genoemd.

LEVENDIGE BOEL

De relatief korte afstand tussen Amsterdam en Beverwijk is ideaal. Tuinders uit de binnenduinrand varen in de zeventiende eeuw met hun groenten en fruit via het Wijkermeer en het IJ naar de stad om deze aan de man te brengen. En andersom komt er een ‘zomertrek’ op gang van rijke Amsterdammers naar de oevers van het Wijkermeer. De ‘lustwarande’ Kennemerland is zeer in trek bij regenten en kooplieden die hier voor de jacht komen en voor een lang loom zomerverblijf. ’s Winters verblijven ze in hun Amsterdamse grachtenhuizen, ’s zomers betrekken zij hun ‘zomeroptrekje’.

Op het hoogtepunt liggen hier zo’n 65 buitenplaatsen. Nicolaas Corver, burgemeester van Amsterdam, koopt Beeckestijn, koopman en regent Jan Bicker strijkt neer op Akerendam en suikerhandelaar Laurens Baeck op Scheijbeeck. De adellijke familie Boreel bezit Westerhout en ‘de lage duinstreek in het baljuw van Blois. De ‘import’ kan de hier geteelde wortelen, peulvruchten, bessen en frambozen wel waarderen. Ze nemen graag groente, fruit, kip en konijnen af bij de lokale tuinders en jachtopzieners.

Bunder, roe & hoek

Zelden of nooit wordt in er tuinderskringen gesproken over hectares of meters. De afmetingen van het land worden aangeduid in bunders en roedes, oudere maten die voor de invoering van het metrieke stelsel van 1816 werden gehanteerd. Een bunder is gelijk aan een hectare. Een Rijnlandse roede, veelal gebruikt in de binnenduinrand, telt 3,7 meter; een Hondsbosse en Rijpse roede is bijvoorbeeld 3,4 meter. Voor de teelt wordt de omvang ook wel globaal aangegeven met de term ‘hoek’: een hoek spinazie’ of ‘een hoek sla’ wat zo ongeveer gelijk staat aan halve hectare.

LANDJES MIDDENIN DE DUINEN

Zelf zoeken de tuinders ook de duinen op. Ze pachten, naast hun tuinderijen in de binnenduinrand, kleine percelen van Boreel. Op deze ontgonnen duinlandjes, ook wel krochten of kroften, telen ze haver, rogge, later aardappelen en rabarber. De grootste landbouwontginning in de duinen is de Breesaap (300 ha), tussen Velsen en Beverwijk. ‘Luilekkerland’, zo wordt deze voormalige duinvallei wel genoemd vanwege de goede grond en de rijkelijke aanwezigheid van duinwater. De Breesaap verdwijnt in 1918 als de pas opgerichte Hoogovens zich hier vestigt. En de kleine duinlandjes worden in de jaren zestig opgeslokt wanneer de Hoogovens zich noordelijk van Wijk aan Zee uitbreiden.

NIEUWE TUINDERIJEN

Vanaf 1880 worden steeds grotere delen van de Beverwijkse binnenduinrand in cultuur gebracht. De industrialisatie geeft de tuinbouw in deze streek een flinke impuls. Overal in Europa trekken plattelandsbewoners naar de steden en de vraag naar groente, fruit en aardappelen stijgt navenant. Opnieuw, net als in de zeventiende eeuw, beleeft de tuinbouw in deze streek een uitbundige groei door de toenemende vraag naar levensmiddelen. Niet alleen vanuit Amsterdam, ook vanuit de Engelse en Duitse steden. Het bestaande areaal aan tuinbouwgrond in de Westertuinen en Oostertuinen wordt door de groeiende vraag fors uitgebreid met nieuwe tuinderijen aan de Zeestraat, de Bankenlaan, de Tulpenlaan (later Creutzberglaan) en de Lunetten. Door duingronden af te graven, weilanden te ‘scheuren’, bos en hakhoutbos te kappen komen er meer kavels vrij.

Het moet allemaal wat economischer en efficiënter. Wallen worden geslecht, fruitbomen en bosjes gerooid en duingrond afgegraven. Zo krijgt de familie Hilbers in 1924 toestemming van Boreel om de duingronden tussen de Zeestraat en de Creutzberglaan af te graven voor zandwinning ten behoeve van de bouw van de St. Agathakerk aan de Breestraat Na spitwerk en bemesting teelt Hilbers hier dahlia’s, aardappelen en vooral asperges. Voor de verkoop en een beetje voor eigen gebruik.